Aanleiding voor het onderzoek is de relatief sterke toename in het e-fietsgebruik onder kinderen en jongeren. Onder jongeren van 12 tot en met 17 jaar steeg het e-fietsgebruik tussen 2020 en 2023 van 12 naar 25 procent en onder kinderen van 6 tot en met 11 jaar van 2 naar 6 procent. Het aandeel e-fiets is onder 65-plussers nog wel altijd het grootst.
In 2024 gebruikte een kwart van de jongeren minimaal enkele keren per week een e-fiets. Onder 6 tot 8-jarigen is dit aandeel ongeveer 9 procent, waarbij het vermoeden is dat het hier gaat om het reizen als passagier met e-fiets of e-bakfiets. De 6 tot 8-jarigen die met de e-fiets reizen komen vaker uit huishoudens die geen auto bezitten, met een hoger huishoudinkomen en in stedelijke gebieden. De 12 tot 17-jarige e-fietsers komen juist vaker uit minder stedelijk gebied en uit huishoudens met een hoger autobezit. Ze hebben minder vaak een migratieachtergrond.
Onder 9 tot 11-jarigen is het aandeel dat enkele keren per week een e-fiets gebruikt 5 procent. Door de beperkte omvang komt deze groep te weinig voor in bestaande data om betrouwbare analyses te doen.
Langere afstanden
Voor veel jongeren zijn snelheid en het reizen van langere afstanden een reden om te kiezen voor de e-fiets. Het milieu noemen ze minder vaak dan volwassenen als argument om de elektrische fiets te gebruiken. Volgens het nationaal verplaatsingsonderzoek ODiN leggen jongeren gemiddeld 69 procent langere afstanden af met de e-fiets dan met de gewone fiets.
De gemiddelde ritafstand met de e-fiets is de afgelopen jaren wel afgenomen: het aantal korte ritten neemt sterker toe dan het aantal langere ritten. Het aandeel e-fiets ritten van meer dan 13 kilometer is 10 procent. Vooral voor onderwijs leggen jongeren op een e-fiets grotere afstanden af dan gewone fietsers.
In het algemeen nam de reisduur onder kinderen en jongeren af, maar dit was in mindere mate het geval voor fietsen. Het aandeel fiets gecombineerd met e-fiets in zowel het aantal ritten, afgelegde afstand als reisduur is daardoor toegenomen ten opzichte van 1999. Onder jongeren nam het aandeel gewone fiets wel af.
Vaker zwaar hoofdletsel
Eerder bleek al dat tussen 2020 en 2024 het aantal jongeren dat de Spoedeisende Hulp bezocht met aanzienlijk letsel na een ongeval met de e-fiets met bijna 500 procent is toegenomen. Deze stijging is slechts deels toe te schrijven aan een toename van de afgelegde afstand met de e-fiets, die in die periode verdrievoudigde. Daar staat tegenover dat het aandeel e-fiets in de SEH-bezoeken de laatste jaren meer in lijn is met het aandeel e-fiets in de afgelegde afstand dan eerder. Het vermoeden bestaat dat een deel van de toename in de SEH-bezoeken het gevolg is van een verbetering in de registratie van e-fietsgebruik bij SEH-bezoek. Wel blijkt dat jongeren op een e-fiets veel vaker zwaar hoofd- en gezichtsletsel hebben bij een SEH-bezoek dan jongeren op een gewone fiets.
Meer onderzoek nodig
Om de afweging te maken of er specifiek beleid nodig is op het e-fietsgebruik onder kinderen en jongeren is er volgens het KiM meer onderzoek nodig. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om vragen als welke vervoerswijze de e-fiets vervangt en of het gebruik van de e-fiets leidt tot het bezoeken van andere bestemmingen of het deelnamen aan andere activiteiten. Ook is het nog onduidelijk welk effect het e-fietsgebruik heeft op de mobiliteit. Op de korte termijn zijn e-fietsende jongeren wellicht minder geneigd de overstap te maken naar brommer of scooter en op de lange termijn zou het e-fietsgebruik wellicht effect kunnen hebben op autogebruik.
Tenslotte is de fysieke inspanning die kinderen en jongeren leveren met de e-fiets relevant om te bepalen of er netto een positief of negatief gezondheidseffect is. Dit laatste thema is volgens het KiM het best onderzoekbaar.
De volledige notitie
E-fietsgebruik door kinderen en jongeren is
hier te lezen.
Bron: Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid